Ik kom UIT/MET/VAN Polen?

Uit/met/van....?
Uit/met/van....?
Wpisz: uit, met lub van
(Odpowiedzi oraz tlumaczenie podam w filmiku w przyszlym tygodniu)

1. Ik ga ____ de hond naar de dierenarts.
2. Stamp het ____ je hoofd!
3. Haal alle spullen ____ de dozen.
4. Ik ben nu ___ iemand aan het bellen.
5. De appel valt niet ver ___ de boom. 
6. Het geld valt niet ___ de lucht.
7. Ik leef __ de uitkering. 
8. Ik werk samen ___ Ania.
9. Hij komt ook ___ Nederland.
10. Ola drinkt altijd koffie ___ melk. 
11. Ik moet het __ dichtbij bekijken.
12. Ik leer ___ verschillende boeken. 
13. Laten we alles___de auto halen. 
14. Ik ken haar alleen __ gezicht.
15. Ik eet __ mes en vork. 
16. Ik ken jou __ YouTube. 
17. Ik ben __ de trap gevallen.
18. Ik drink water ___ de kraan.

Reactie schrijven

Commentaren: 0